JUBILEUMBOEK
WESTERN FRONT ASSOCIATION BELGIE vzw - 20 JAAR


De auteurs

Drie auteurs werden bereid gevonden om een bijdrage te schrijven over de ongewapende hulptroepen van de genie in het Duitse, Britse en Belgische leger. De bijdrage over de Duitse hulptroepen is van de hand van Jan Vancoillie, bestuurslid en historicus. Hij is gekend van onder meer het boek “Halfweg Menin Road en Ypernstrasse. Gheluvelt 1914-1918” en andere publicaties en bijdragen. Zijn kennis over het Duitse leger is bekend bij onze vereniging. Frans Descamps, eveneens bestuurslid en gerenommeerd kenner van de Britse begraafplaatsen, onderzocht de situatie bij de Britten en vond heel wat interessante gegevens over het Britse Labour Corps met zijn talrijke buitenlandse arbeiders. De derde auteur is Dr. Luc Vandeweyer, eveneens historicus en werkzaam bij het Rijksarchief te Brussel. Hij schreef al talrijke boeken en bijdragen over de oorlog in al zijn aspecten. Zijn bijdrage over de Belgische “troupes auxiliaires du génie” zal eveneens heel wat onbekende aspecten belichten. Dat dit boek toch geen volledig beeld zal schetsen van alle ongewapende hulptroepen aan het Westelijk Front is te wijten aan een paar factoren. Een kenner van de Franse strijdkrachten werd gevonden, maar door onder andere de gebrekkige staat van de Franse archieven inzake de hulptroepen maakte een volwaardige studie voorlopig onmogelijk. Bijgevolg werd het Franse luik niet opgenomen in dit werk. Voor wat betreft de Amerikaanse hulptroepen mogen we een aanvullende bijdrage in de nabije toekomst verwachten van de heer Jos Lagae (lid WFA-België) in het ledentijdschrift "Shrapnel". Feit is en blijft dat de drie mogendheden die meest prominent aanwezig waren aan het Vlaamse front, namelijk de Britse, Belgische en Duitse, heel uitvoerig en gedetailleerd in dit werk besproken worden.

Inhoud

"DE WERKSOLDATEN ZIJN DE LEVENSADER VAN HET LEGER"
Kort maar krachtig is dit zinnetje! En bovendien heeft Gu Xingqing gelijk. Zijn woorden drukken perfect uit waarover u in dit boek zult lezen. Het gaat over "de werksoldaten" en ze waren inderdaad zo belangrijk dat Gu ze terecht "de levensader van het leger" mocht noemen. Het overgrote deel van deze mannen droeg een schop en een houweel en ze werden achter de linies aan het werk gezet. Hulptroepen waren in de ware zin van het woord "werksoldaten". Ze droegen geen geweren want ze waren niet bestemd voor een confrontatie met de vijandelijke militairen.
Gu Xingqing is een belangrijk man in dit boek. Hij was tolk en kwam naar Europa met een korps dat vele duizenden Chinese contractarbeiders telde. Ze traden op als hulptroepen voor het Britse leger. Zij werkten in groten getale om het Britse front bereikbaar te maken en te houden. Gu Xingqing is een unieke getuige… (uit de inleiding van het boek door Luc Vandeweyer)
  • Bij de Britten : De aanwezigheid van Chinezen achter de Britse linies is een van de meest aansprekende onderwerpen in het boek. Maar er waren niet alleen Chinezen. Het kleine Britse expeditieleger van augustus 1914 groeide uit tot een gigantische strijdmacht van vijf legers tegen einde 1916. De hoofdmoot van de troepen werd op het westelijke front ingezet. Dat betekende dat er in Frankrijk Britse basissen werden ingericht in de havens van Boulogne, Calais, Dieppe, Le Havre en Rouen. Hier kwamen de manschappen en het militaire materieel aan. Van daaruit vertrok de bevoorradingsroute de "Line of Communication" naar het hinterland van de divisies aan het front. Laden en lossen gebeurde door aangeworven burgerlijk personeel of door militairen die, bijvoorbeeld na verwondingen, geen gevechtstaak meer konden opnemen. Dat bleek echter onvoldoende. Er waren al snel arbeidskrachten te weinig want ook het wegennet vergde onderhoud. En er moesten voortdurend nieuwe loopgravenlinies worden aangelegd. Begin 1917 werd "Labour Corps" opgericht om de werken uit te voeren die nodig waren om de bevoorrading te verzekeren. Dit korps telde in 1917 al 211.500 man en dat aantal ging nadien verder de hoogte in. In navolging van Frankrijk konden de Britten putten uit de enorme bevolkingmassa in hun kolonies. Zuid-Afrika, de West-Indische eilandengroep, Egypte, het Indische Rijk... leverden niet alleen soldaten maar ook arbeiders in groten getale.
    Frans Descamps schrijft in zijn inleiding:
    "Jaren geleden begon ik de Britse militaire begraafplaatsen te bezoeken. Wijlen Tony Debruyne (+ 2005) en Roger V. Verbeke waren mijn gidsen en leermeesters voor het ontleden van deze schijnbaar verwarrende materie. Geleidelijk, door mijn basisstudie en een ontluikende ervaring, groeide de kennis aan. Veel werd me duidelijk, maar niet alles.
    Op enkele begraafplaatsen in West-Vlaanderen, maar vooral in de Franse departementen Nord en Pas-de-Calais, bleven raadsels onopgelost. Het waren ongewone grafstenen voor zeer vreemde oorlogsdoden, soms in een onbekende taal, het was werkelijk "chinees" voor mij. Hoe kwamen die hier, wie waren ze, wat deden ze hier, waarom werden ze in de uithoeken begraven, zeker niet tussen Europeanen. Niemand kon me die vragen beantwoorden. Bij het zoeken in bibliotheken kan je stapels boeken aantreffen over de "Grote Oorlog", over de organisatie van de strijdkrachten en hun generaals, over divisies en bataljons, over dagboeken en zo veel meer. Maar nergens kon ik mijn oplossing vinden. Tot het eerste antwoord eensklaps kwam. Bij één van mijn regelmatige bezoeken aan het Documentatiecentrum In Flanders Fields Museum Ieper werd mij door Dominiek Dendooven een kopie van een lijvig rapport ter inzage aangeboden. Dit was het antwoord van het Labour Corps van 14 november 1919 op de algemene vraag gesteld door Quartermaster-General. De technische organisatie en werking werd er volledig in weergegeven. Mijn poging tot onderzoek kon beginnen, talrijke vragen kregen een antwoord en veel misopvattingen werden door dit rapport weerlegd…"
  • Bij de Duitsers:
    De Duitsers kenden vanzelfsprekend ook het probleem van de "werkkrachten". Anders dan zijn geallieerde tegenstanders met hun immense overzeese gebieden en talrijke bondgenoten, beschikten de Duitsers over een relatief beperkte reserve aan mankracht. Daarom werden alleen de mannen die volstrekt niet in staat waren gewapende dienst te doen, bij de hulptroepen gestopt. Dat was bijlange niet voldoende want de behoeften waren enorm. Daarom werden deze eenheden aangevuld met troepen waarvan het werkvolk bestond uit geallieerde krijgsgevangenen en uit opgeëiste burgers uit de bezette gebieden. Ook van hen hebben maar heel weinig een getuigenis nagelaten maar dat hun leven niet echt aangenaam was, laat zich raden.
    Aan Duitse kant bestond er vóór het uitbreken van de oorlog zoiets als de onbewapende Landsturm. Deze groep van dienstplichtigen kreeg bij de militaire keuring het stempel Arbeitsverwendungsfähig opgekleefd. Met hun handen werken konden ze wel, maar voor het gevecht waren ze ongeschikt. Ze kregen dan ook geen bewapening of militaire training. Maar ze moesten wél in dienst. Ze bleken erg nuttig in oorlogstijd. Ze werden ingezet voor de meest uiteenlopende taken zoals de bouw van loopgraven en versterkingen, het laden en lossen van militair materieel, landbouw in gebieden dichtbij het front, aanleg en onderhoud van verkeerswegen en communicatiemiddelen, bosbouw, hulp bij het oogsten, personeel leveren voor allerlei logistieke en verzorgende instellingen, verzamelen van materiaal en grondstoffen die (her)gebruikt konden worden in de oorlogsindustrie en dergelijke meer. Ze deden dus zowat hetzelfde werk als de Chinese arbeiders.
    Jan Vancoillie schrijft in zijn inleiding:
    "Ook krijgsgevangenen, opgeëiste burgers en militaire gevangenen werden bij deze taken ingezet om het tekort aan mankracht op te vangen, onder meer omdat de Duitsers iedere onderdaan aan het front nodig hadden en niet beschikten over kolonies van waaruit arbeidskrachten opgeroepen konden worden.
    De volgende eenheden werden zo opgericht: Armierungs-Bataillone, Straßenbau-Kompagnien, Baudirektionen en -Abteilungen, Etappen-Hilfs-Bataillone en -Kompagnien, Etappen-Sammel-Kompagnien, Wirtschafts-Kompagnien, Zivil-Arbeiter-Bataillone en -Kolonnen, Militär-Gefangenen-Kompagnien en Kriegsgefangenen-Arbeiter-Bataillone, Franzosenkommandos, Engländer-kommandos, Rumänenkommandos, Italienerkommandos, Russenabteilungen en Portugiesenkommandos. Deze formaties worden één voor één besproken, waarbij er vooral aandacht is voor hun betekenis aan het Westelijk Front en Vlaanderen/België in het bijzonder. Omdat de beschikbare informatie over bepaalde formaties zo moeilijk te vinden is, wordt er soms ook dieper ingegaan op de inzet aan het Oostfront om een beeld te krijgen van de taken en de werking."
  • Bij de Belgen :
    Het Belgische leger had "werkliedenafdelingen" opgericht waar de oudere soldaten naar toe werden gestuurd. Op die manier konden zij diensten bewijzen zonder al te erg blootgesteld te worden aan het oorlogsgevaar. Ze vormden dus een steun in de rug van de vechtende soldaten. In feite beschikte België over een 'dubbel leger'. Klasse 1906 en ouder werd bij aanvang van de oorlog ingedeeld bij de vestingtroepen (jongere klassen tot 1913 bij het veldleger) en later bij de hulptroepen van de genie. Zij moesten werken met schop en houweel. Vandaar de titel van het boek. Dit betekende dat wie 26 jaar en ouder was, in principe niet naar de loopgraven werd gestuurd in tegenstelling tot het Franse Leger waar veertigjarigen in de eerste linies stonden.
    Ook al hadden deze mannen geen wapens, het moge duidelijk zijn dat hun inzet niet zonder gevaar was. Daarvan getuigen de vele graven van Chinezen op Britse begraafplaatsen. Ook vele Belgische dwangarbeiders en krijgsgevangenen die door de Duitsers werden ingezet, verloren het leven. Hun graven vinden we op de geallieerde begraafplaatsen, hun namen op de monumenten. Dat zij na de oorlog op voet van gelijkheid met de gesneuvelde frontsoldaat werden behandeld, is veelzeggend. Het is bovendien volkomen terecht.
    Dit boek wil een inleiding vormen op de geschiedenis van de hulptroepen. Daarbij richten we de blik op de mannen die werden ingezet in het kader van het Belgische, Britse en Duitse leger. Hun verhaal is daarmee natuurlijk niet ten einde want ook in de Franse en Amerikaanse legers waren dergelijke eenheden actief. Bovendien hebben we lang niet alles kunnen uitspitten. We hebben wel zoveel ontdekt dat we met dit boek voor de lezer de deur kunnen open zetten naar een aspect van het oorlogsverleden dat tot dusver ondermaats belicht is gebleven. Er is dus wel degelijk nieuws van het westelijk front.
    Dat de ongewapende hulptroepen een belangrijke, zelfs essentiële rol zouden spelen, was helemaal niet voorzien bij het uitbreken van het conflict. In augustus 1914 dacht iedereen dat de troepen tegen Kerstmis weer thuis zouden zijn. Het Duitse leger zou Parijs genomen hebben, of de geallieerde legers zouden het Keizerlijke Duitsland verslagen hebben. Weinigen twijfelden aan een snelle beslissing op het slagveld. De feiten gaven hen ongelijk want niets bleek minder waar. De wapenstilstand werd pas afgekondigd op 11 november 1918. De vredesovereenkomst werd getekend op 28 juni 1919 in Versailles. De Grote Oorlog was dus pas vijf jaar later echt afgelopen, ten minste toch op het westelijke front.
  • Prijs en waar te verkrijgen?

    Het rijk geïllustreerd boek telt 328 bladzijden en heeft een harde kaft.
    € 20,00 voor de leden WFA-België (1 exemplaar per lid).
    € 35,00 voor niet-leden WFA-België en eventuele extra exemplaren.
    De prijs is te verhogen met € 7,10 voor de verzendingskosten (€ 5,60 port kilopack + € 1,50 verpakking). Het boek kan ook verkregen worden tijdens de activiteiten van onze vereniging. Het boek kan verkregen worden bij de voorzitter en de penningmeester van de vereniging:
  • Fernand Verstraete, Knokuilstraat 8, 8800 Rumbeke, 051/20.75.64, fernandverstraete@hotmail.com
  • Daarnaast zijn er enkele verkooppunten:
  • Boekhandel The Shell Hole - Neermarkt - Ieper.
  • In Flanders Fields Museum - Ieper.
  • Talbot House - Poperinge.
  • Memorial Museum Passchendaele 1917 - Zonnebeke.
  • IJzertoren - Diksmuide.
  • Terug naar de indexpagina
    Free counter and web stats