| U-Boten, Q-Schepen, obussen en torpedo's: het verhaal van UC-71 |
Tomas TERMOTE
Op slechts een halve mijl van de zuid-ingang tot Helgoland, een klein eiland 50 km ten noorden van de Jade rivier, rust een onderzeeboot uit de Eerste Wereldoorlog. Onderzoekers van het U-Boot Archief Cuxhaven kregen de unieke gelegenheid om dit stukje geschiedenis te beduiken en te identificeren. Het betrof een UC-II klasse mijnenlegger die in de laatste oorlogsjaren van Wereldoorlog I bekendheid zou verwerven bij de Flandernflottille. Het zou om de voorlaatste boot van Kapitänleutnant Reinhold Satzwedel gaan, namelijk UC-71.
In de vroege uren van 8 augustus 1917 kwam kapitein Gordon Campbell op de brug van zijn gewapend vrachtschip Dunraven om de wacht van de eerste officier af te lossen. De Dunraven was één van de vele nieuwe experimenten van de Britse marine. Het ging hier namelijk om een gevreesd Q-schip. Vanaf 1916 bestreden vermomde en zwaar bewapende Q-schepen de U-boten. Alle mogelijke scheepsvormen werden aangewend, gaande van vissersschepen en houten klippers tot logge vrachtschepen. Hun belangrijkste troef was het onschuldig uitzicht van het schip. Er werd een valse naam en thuishaven op de boeg en het hek aangebracht. Achter dekladingen, valse opbouw en sloepen stond geschut van alle mogelijke kalibers, bemand met kanonniers van de Royal Navy.
U-bootkommandanten gebruikten hun torpedo's liever niet te vaak. Die waren zeer kostelijk, en aangezien er slechts een kleine voorraad was hield men ze liever voor hachelijke situaties, zoals het aanvallen van bewapende handelsschepen of oorlogsbodems. Vaak kwam de U-boot aan de oppervlakte om het schip te inspecteren. Indien het een vijandelijk schip was, vernietigde men ze met kanonvuur of springpatronen. Wanneer de onvermoedende U-boot zich dichter waagde en zijn flank liet zien, hees men de White Ensign of Britse zeemachtvlag, draaiden de kanonnen buitenzijde en werden op de U-boot gericht. Na enkele seconden kon men een onderzeeër met kanonvuur vernietigen.
De Q-schepen werden op de handelsroutes ingezet in de Western Approaches, in de Ierse Zee, rond de Shetland-eilanden en langs de oostkust.
De Dunraven had reeds dagenlang vruchteloos rondgevaren in de Golf van Biskaje met de hoop een onderzeeboot aan de oppervlakte tegen te komen. In de morgen van 8 augustus toen de Dunraven zich op 120 zeemijl ten westen van Quesant bevond, dook een onderzeeboot op uit het niets en begon met haar dekkanon te vuren vanop een afstand van 5 km. Het betrof de mijnenlegger UC-71 die onder bevel stond van Kplt. Reinhold Saltzwedel, gekend als aas bij de Flandernflottille. Kapitein Campbell liet een deel van zijn bemanning overboord gaan in de sloepen om de schijn te houden dat het om een onschuldig vrachtschip ging. Door dit manoeuvre kwam de onvermoedende UC-71 dichter bij het Q-schip. Er werden valse SOS berichten uitgezonden, die ook door de U-boot ontvangen konden worden. De duikboot naderde wantrouwig het achterschip van de Dunraven, maar bleef op haar vuren met het 8,8 cm geschut. Op verschillende plaatsen was nu brand op het schip uitgebroken. Het bovendek van het achterschip stond roodgloeiend door de vuurhaarden die benedendeks aan het oplaaien waren. Alhoewel de vrees erin bestond dat het achterste munitie-ruim elk ogenblik de lucht kon ingaan, hielden de kanonniers op het achterschip van de Dunraven het hoofd koel. De onvermoedende U-boot kwam in schootsafstand. Toen UC-71 zich vlak onder het achterschip van de Dunraven bevond detoneerde een obus een dieptebom op het achterdek. De immense ontploffing die hierop volgde deed het achterste kanon en haar bemanning de lucht invliegen. De oorverdovende slag van de ontploffing liet de brand-alarmbellen afgaan. Bij dit signaal openden de verborgen kanonnen het vuur op de UC-71 en werd de Britse zeemachtvlag in de mast gehesen, waardoor het ware karakter van het schip werd blootgegeven. Salzwedel liet zijn U-boot ogenblikkelijk onderduiken. De kanonnen van de Dunraven hielden op met vuren, aangezien het doelwit onder de golven verdween. Na enkele minuten verscheen de "asperge" (periscoop) aan stuurboord van de Dunraven. De onderzeeboot inspecteerde voorzichtig haar prooi door enkele malen rond het hulpeloos Q-schip te cirkelen.
Kapitein Campbell liet de gewonden en het grootste deel van de bemanning overbrengen in de reddingssloepen aangezien zijn schip in zinkende toestand verkeerde. Hierbij bleven slechts enkele kanonniers aan boord. De U-boot maakte weer oppervlakte om het Q-schip naar de dieperik te zenden. Hierbij liet de UC-71 haar flank tonen, een uitstekend doel voor de stuurboordtorpedobuizen van de Dunraven. Eén van de afgevuurde torpedo's raakte UC-71 maar weigerde te ontploffen. Saltzwedel had er genoeg van. Hij had geen torpedo's meer en wilde zijn boot niet meer blootstellen aan vijandelijk vuur. Hij dook diep onder en keerde huiswaarts.
De gehavende Dunraven werd even later op sleeptouw genomen door de torpedobootjagers Attack en Christopher. Het schip dat onoverwinnelijk leek te zijn voor de UC-71 verging de volgende ochtend in het zicht van de Britse zuidkust door de grote schade die op haar romp was aangericht.
Begin juli van dit jaar kreeg ik telefoon van Ingo Oppelt, onderzoeker bij het U-boot archief te Cuxhaven. Via informatie, die afkomstig was van het Bundeninstitut für Seeschiffahrt und Hydrografie kwam hij te weten dat er op een halve mijl van Helgoland zich een wrak van een onderzeeboot bevond. Hij had het wrak bedoken en kwam tot de vaststelling dat het om een onderzeeboot ging van de Keizerlijke Marine. Aangezien het archief zich vooral bezighoudt met boten van de Kriegsmarine hadden ze besloten mij te contacteren aangezien mijn eindejaarsthesis volledig aan duikboten uit de Eerste Wereldoorlog was gewijd. Hierna duurde het niet lang om een tweede expeditie naar Helgoland op touw te zetten. Aangezien de U-boot zich in een natuurgebied bevindt, waar niet gevist of gedoken mag worden, moest schriftelijke toelating gevraagd worden bij de Duitse en Helgolandse autoriteiten.
Er stonden ons twee schepen ter besckikking, waaronder de viskotter Wilhelmine en de motorboot Elbe II. Na een bootreis van 7 uur cirkelden beide schepen boven de wrakplaats. Met de kleine motorboot, die voorzien was van alle nodige apparatuur zoals dieptemeter en GPS duurde het niet lang om het wrak te lokaliseren en te ankeren.
Ik kreeg als eerste de eer om naar het wrak af te dalen, samen met onderwaterfotograaf Norbert Thiel. Op een diepte van 17 m kwam ik bij het klepanker van de Elbe II. Het anker had zich ingegraven in een eenzame verlaten zand- en steenvlakte waar de monotonie slechts sporadisch verbroken werd door een enkele zeeëgel. We vreesden dat we het wrak gemist hadden en begonnen langzaam langs het ankertouw weer op te stijgen. Maar dankzij een goede zichtbaarheid van meer dan 6 m werd een schaduw in de verte opgemerkt. Na teken gegeven te hebben aan Norbert zwommen we op de donkere massa af.
Wat ons daar te wachten stond, was ieder wrakduikers' droom. De schaduw bleek de drukhuid van een intacte onderzeeboot te zijn. Mijn eerste taak, nadat ik mijn emoties onder controle had gebracht, was een lijn met een markeerboei aan de aanvalsperiscoop te binden. Met geluk was het anker slechts 5 m van de toren van de boot verwijderd. De periscoopbuizen op de toren waren intact met ingetrokken periscopen. De voorste periscoop stak ongeveer een dertigtal cm uit. Wanneer de begroeiing op de kop werd verwijderd kon ik intacte lenzen waarnemen. Naast de periscoopbehuizing stond de bronzen stuurstandaard. De roerindicator op de plaat wees op "Mitten", roer midscheeps dus. Het ijzeren handwiel op het torenluik was goed te zien, maar het luik bleek potdicht gesloten te zijn. Na enkele minuten was de derde duiker ook beneden en we besloten het wrak volledig te verkennen. Archivaris Horst Bredow van het U-boot-archief had er ons attent op gemaakt dat de belangrijkste taak erin bestond uit het identificeren van de boot.
Direct bleek het dat het om een UC-II klasse mijnenlegger ging toen we op de voorplecht 6 verticale mijnschachten aantroffen, geflankeerd aan bak- en stuurboord door een 4 m lange torpedobuis. Op de kleppen konden we de bouwersplaten van de torpedobuizen van begroeiing ontdoen. Deze lazen: "B.M.A.G. SCHWARTZKOPF BERLIN 1916". Voor de toren was ook de standplaats en voet van het vroegere 8,8 cm kanon aanwezig. Aangezien het kanon niet op gewelddadige wijze was verdwenen en er geen munitie in het rond lag, namen we aan dat vele onderdelen van de boot reeds door de werf waren afgehaald. Dat het om UC-71 zou gaan begon meer en meer mogelijk te lijken. De doorslaggevende identificatie werd geleverd door haar mangaanbronzen driebladschroeven. Op de "kegel" in het midden, waaraan de schroefbladen bevestigd zijn en waarop de stalen schroefas past, zijn de bootgegevens aangebracht door de werf. Hierop waren diameter, gewicht, samenstelling, bouwwerf (Blohm & Voss) en U-bootnummer, namelijk UC-71, aangebracht.
UC-71 behoorde tot de serie UC-65/UC-73 van de UC-II klasse bootmijnenleggers. Ze liep van stapel eind 1916 bij de Blohm & Voss werf te Hamburg. Haar waterverplaatsing bedroeg bijna 500 ton met een lengte van 50 m en breedte van 5 m. Aan de oppervlakte lieten de dieselmotoren toe de boot een snelheid van 12 knopen te halen, onderwater was de topsnelheid 7,4 knopen per uur met haar elektrische motoren. De hoofdbewapening bestond uit 6 verticale mijnschachten gesitueerd in het boegdeel van het schip, elk met een draagcapaciteit van 3 mijnen. Voor secundaire bewapening had ze een 8,8 cm dekkanon en 3 torpedobuizen. Twee torpedobuizen waren op de boeg gesitueerd, naast de schachten, een derde was op het achterschip.
Na haar afwerking te Hamburg maakte UC-71 begin 1917 de tocht naar de Vlaamse kust om zich bij de Flandernflottille te voegen. Haar thuisbasis was Zeebrugge en operatiegebied betrof nu de Britse zuid- en westkust alsook de Franse Atlantische kust. In slechts anderhalf jaar tijd slaagde ze erin om zich bij de top tien U-boten te plaatsen nadat ze 59 geallieerde schepen, een totaal van 107000 ton scheepsruim tot zinken had gebracht.
UC-71 overleefde de Eerste Wereldoorlog en moest, volgens de bepalingen van de wapenstilstand van 11 november 1918, aan de geallieerde strijdkrachten worden overgeleverd. Bij de uitleveringsvaart op 20 februari 1919 liet haar bemanning de zeekranen van UC-71 ter hoogte van Helgoland openzetten waardoor de boot verging. Het beruchte vaartuig van één der azen van de Flandernflottille eindigde zo haar loopbaan roemloos op de bodem van de Noordzee.
De volgende duiken werden gewijd aan het opmeten van het wrak, fotograferen en vaststellen van de algehele toestand van bewaring. De ontsnappingsluiken voor en achter de toren waren, bij het verlaten van de boot in 1919, opengelaten door de bemanning. Binnenin was weinig zand te bespeuren en ik waagde het om binnen te dringen met een lijn.
De luikdiameter was redelijk ruim, dus er bleef niets haperen van mijn uitrusting. Norbert bleef aan de buitenzijde van het wrak en hield de lijn gespannen. Binnenin was het donker als nacht maar er was geen enkel stofdeel te bespeuren waardoor het kristalhelder was toen de duiklamp werd aangeknipt. Volgens de bouwplannen van UC-71 bevond ik me nu in de accommodatie van officieren en onderofficieren. Van de vroegere stalen kooien bleef niet veel meer over dan een hoopje roestig ijzer. Enkel schoenfragmenten staken uit het slijk. Naar de boeg toe, in het volgende compartiment bevonden zich de radiokamer met alle apparatuur zoals het zend- en ontvangstapparaat alsook verscheidene elektrische schakeldozen, lampen en porseleinen zekeringsknoppen. Hiertegenover was een wc met bakelieten lenspomp. Ik deed teken aan Norbert dat ik me nu naar achter zou begeven. Na de accommodatie bevond zich midscheeps het hart van de onderzeeboot, namelijk de centrale. Het was mijn goed geluk dat de boot met opzet door haar bemanning tot zinken werd gebracht, aangezien alle waterdichte schotten opengelaten waren om UC-71 vlugger naar de bodem te doen vertrekken. Dus zonder problemen kon de centrale commandoruimte en de hierna volgende schotten verkend worden. Toen ik in de centrale rondkeek werd ik vervuld door een gevoel van ontzag. Aan de stuurboordzijde stonden twee stalen krukken voor de roergangers en aan de wand hingen alle nodige instrumenten, zoals telegrafen, dieptemeters, stuurraden, peilglazen, ampère- en manometers, om de onderzeeboot te besturen. Aan bakboord werd de volledige wandruimte ingenomen door een elektrisch schakelbord. De ruimte in het midden werd gebroken door de ingetrokken periscoopbuizen. De voormalige "ogen" van Kapitänleutnant Reinhold Saltzwedel waren onbegroeid en lieten een soort paraatheid tonen om de vijand door de krachtige lenzen op te sporen. Mijn veiligheidslijn was bijna op haar eind gekomen, dus besloot ik terug te keren. Dit deed ik niet vooraleer een blik te werpen in de machinekamers van UC-71. De dichste motoren waren de elektrische. Boven en naast de wandelgang hingen losgerotte kabels als lianen in een oerwoud naar beneden. In elke mogelijke hoek van de ruimte waren kooilampen, schakelaars, zekeringskasten, ampèremeters en allerhande instumenten aangebracht. Het achterste ruim met de dieselmotoren was reeds halfweg met slijk gevuld en niet meer toegankelijk. De uitgeademde lucht uit mijn ontspanner deed verschillende roestfragmenten naar beneden dwarrelen en verminderden de zichtbaarheid. Ik begon de terugtocht naar het voorst ontsnappingsluik.
Na tientallen verschillende onderzeeboten bedoken te hebben moet het Helgolandwrak toch bovenaan de lijst van meest intacte historische U-bootwrakken staan. In de wateren voor onze kust heeft ons onderzees patrimonium veelal te lijden van de destructieve gevolgen van sleep- en drijfnetten. Door de vaak magere zichtbaarheid en onbepaalbare verplaatsing van zandbanken kan een wrak niet uitvoerig genoeg bedoken en bestudeerd worden. Veelal liggen ze boven de aanbevolen veilige diepte voor sportduikers of in ontoegankelijke scheepsroutes. UC-71 was iedere wrakduikers' droom. Geen hinderlijke nylondraden en gevreesde "warrelnetten", een gemakkelijke diepte van 17 m en een zichtbaarheid van meer dan 5 m.
Een opmerkbaar feit is dat de UC-71 haar laatste onderhoudsbeurt in de droogdokken van Oostende had gekregen in 1918 voordat ze de tocht naar het noorden ondernam. Als eerste duiker en ook Oostendenaar vond ik het een hele eer om dit stukje maritieme geschiedenis te verkennen.
Bibliografie
CHATTERTON, K.E., Q-ships and their
story, London, 1922
GIBSON, R.H. en PRENDERGAST M., The German Submarine War 1914-1918, London 1931
RÖSSLER E., The U-boat. The Evolution and technical History of German Submarines,
London, 1981
TERMOTE T., Onderzoek van 15 Duitse onderzeeboten vergaan in de zuidelijke Noordzee
gedurende de Eerste Wereldoorlog, Leuven 1997