SHELL-SHOCK

Philippe DEHEEGHER 

De aanleiding tot het schrijven van dit artikel is de lectuur van twee werken met dezelfde naam ‘Shell-shock’ als titel. Het grote verschil tussen die twee werken is de datum van verschijnen. Het oudste boek dateert van 1917 en is dus geschreven in volle oorlogsbrand, door de toenmalige decaan van de Faculteit Geneeskunde (=voorzitter), tevens professor Anatomie(=lichaamsontleedkunde) aan de Universiteit van Manchester in samenwerking met een docent Experimentele Psychologie (=onderzoeker van geestesgedragingen). Vooral deze laatste is, me dunkt, de hoofdauteur en wil zijn boodschap kwijt. In dit boek werd gepoogd een beschrijving te geven van het toenmalige psychiatrisch (=betreffende geesteszieken) zorgensysteem in Groot-Brittannië (GB). De inhoud komt over als een aanklacht en een pleidooi voor een beter opgezet en uitgebouwd onderwijs en een betere praktijkorganisatie van de zorg voor de geesteszieken in het algemeen, niet alleen van de door psychiatrische aandoeningen getroffen soldaten uit de loopgraven. Het zal blijken dat hiermee iets fout liep.

Wij moeten inderdaad beseffen dat de krankzinnigeninstellingen (asylums) zeer gesloten instellingen waren. Eens je erin terecht kwam, bleef je er praktisch voor altijd. Het waren zeker geen instellingen zoals we die nu kennen, doch eerder gevangenissen voor sub-humane (=minwaardig-menselijke) wezens. Die ‘gekken’ werden geslagen, gefolterd, in kettingen gebonden, soms naakt in een cel met enkel stro gestopt, precies zoals wilde beesten, slechter nog dan criminelen. Immers vanuit de Middeleeuwen stamde de gedachte dat krankzinnigen bezeten waren door de duivel. Ze moesten geweerd worden, men was er bang van.

Pas in de loop van de negentiende eeuw kwam er reactie tegen de barbaarse behandelingen in die instellingen en werden het eerder ziekenhuizen in plaats van gevangenissen.

Het tweede boek is uitgegeven in 1997 door een voormalig rechter Babington. Deze man is getroffen geworden door de tegenslagen en onbegrippen tegenover soldaten in toestanden, waarbij limieten van zelfopoffering gevraagd en bereikt werden. Hij wil de geschiedenis verhalen van wat wij nu met een moderne term ‘Post-Traumatisch Stress Syndroom’ noemen. Het verhaal van een opsomming van symptomen, die ontstaan zijn uit psychogene (=zijn oorzaak vindend in de geest) stress en reacties na schokkende gebeurtenissen, specifiek door ons beperkt gehouden tot de Eerste Wereldoorlog.

Reeds Herodotos (= de eerste echte Griekse geschiedschrijver) gaf beschrijvingen van oorlogsneurose (=ander woord voor shell-shock) in de beschrijving van de slag van Marathon. In de Romeinse en Spaanse oorlogen werd dit fenomeen genoemd als ‘nostalgia’. Het aandenken aan het geboorteland en de mijmering aan de geliefden zou, volgens de oude auteurs, aan de basis liggen van zwartgalligheid, gestoorde slaap, verlies van eetlust, angst, bezwijmingen en hartkloppingen.

In de Napoleontische tijd sprak men van ‘fantasieën’ om de symptomen van oorlogstraumata (=geestelijke verwonding) te beschrijven.

De Amerikaanse Burgeroorlog is beter bestudeerd en geanalyseerd(=ontleed) geworden. Dit was reeds een ‘modernere’ oorlog, met nieuwere en meer op vernietiging afgestelde methoden en wapens, met dus meer terreur en slachtoffers. De medische opinie blijkt te ontwaken, doch de medici maken nog steeds gewag van de ‘ ‘nostalgie’ van de te jonge soldaat of van de gehuwde man, ver van huis en kroost. De nerveus-hysterische symptomen ( hysterie is een opgewonden gemoedsstemming met uiteenlopende symptomen gaande van krampen, trillingen, bevingen tot verlammingen en flauwten) worden concreet beschreven in de ‘American Medical Times’ halfweg de negentiende eeuw. Die lichaamstaal wordt verklaard door ‘windage’, de luchtverplaatsing en het fysisch impact (inslag) van een voorbijvliegend of ontploffend projectiel dicht bij het lichaam, in concreto de granaat (shell). Dit zou een geweldige trilling veroorzaken in het lichaam, een spanning van de inwendige spieren, genoeg om de ledematen en andere spiergroepen te verlammen (paralyseren).

Tevens stamt vanuit deze periode de oorsprong van de beschrijving van het ‘soldiers heart’, de hartneurose (neurose is een stoornis van het zenuwstelsel), in de moderne geneeskunde nog altijd het ‘Da Costa-syndroom’ genoemd, naar de Amerikaanse arts Da Costa, die driehonderd soldaten behandelde met ‘irritable hearts’ (prikkelbaar -hartsyndroom genoemd). Men was ervan overtuigd dat het hart overbelast was en veel te vlug moest kloppen door de zware uitrustingen en de zware drill-oefeningen, die de soldaten moesten dragen en ondergaan. Vermindering van het arsenaal bracht wel meer beweeglijkheid teweeg, doch geen vermindering van de ziekterapporten.

In 1880 werd een boek gepubliceerd, later als standaardwerk aanzien, dat voor het eerst het fenomeen van zenuwuitputting, ‘neurasthenie’ genoemd, in al zijn aspecten beschreef. Deze neurasthenie werd aanvankelijk niet als ziektebeeld ervaren, bij gebrek aan objectieve(zichtbare en voelbare) symptomen en organisch (lichamelijk) ziektebeeld. Neurastheniekers werden steevast als simulanten en lijntrekkers aanzien. De ware psychiatrie (leer van de geestesziekten) stond nog in de kinderschoenen.

De eerste aanloop tot de geestesziektenleer vinden we in achttiende- eeuwse ‘Mesmerisme’ (naar dr Mesmer). Dit was echter een vorm van charlatanisme(eerder bedriegerij), waarbij geloofd werd dat astrologische (in verband met de sterren) invloeden overgezet konden worden op het lichaam van zieke personen door onzichtbare stralen vanuit magneten, die op het lichaam geplaatst werden. Mesmeriaanse sessies hadden veel succes vooral in hogere kringen, eerder als schijnbare therapeutische (=genezingbrengende) sceance (show) dan als medisch consult(=raadpleging). Wij zien hierin misschien een voorloper van het hypnotisme, dat ontwikkeld werd door dr Braid rond de jaren 1850 vanuit de Mesmeriaanse ervaringen met trance-achtige slaapinducties(inslaapbrengen).

Bijzonder geïnteresseerd in deze techniek was dr Charcot, een zeer beroemd Franse zenuwspecialist uit de late negentiende eeuw. Hij zocht vanuit de hypnose een verklaring voor het optreden van hysterie. Zijn collega, dr Janet van het Salpêtrière-ziekenhuis uit Parijs, deed eveneens baanbrekend werk en stelde voor het eerst vast dat geneeskunde en psychologie samengingen.

Eén van de leerlingen van Jean-Martin Charcot was Sigmund Freud.Deze probeerde via hypnose en de droombestudering een methode te vinden voor de verklaring van de stroomlijnen van gedachten en gevoelens door de menselijke geest. De psycho-analyse was geboren en van hieruit de grondbeginselen van de psychotherapie (=behandeling van geestesaandoeningen). Freud stelde dat verlangens en gevoelsimpulsen verdrongen werden omdat zij tegenovergesteld waren aan een normaal karakter. Dit geestesconflict gaf aanleiding tot neurotische stoornissen. Als bij voorbeeld een soldaat met oeverloze angst voor de strijd te maken had - soldaten mogen geen uiting geven van zwakheid - en hij verdrong deze angst, dan kon hij een hysterische verlamming aan de benen krijgen. Dit ongemak verhinderde hem te strijden. Zo kon hij zijn wens om niet te moeten vechten waar maken. Terzelfdertijd kon hij zijn zelfachting behouden en werd hij niet beschuldigd van lafheid en verraad.

Het grootste deel van de medische opinie in GB was fel gekant tegen de praktijk van psycho-analyse. Geestes- en onderbewustzijnsonderzoek kon de mentale stabiliteit schaden, zo meende het gros van de Britse neurologen. Dit is misschien een typische houding voor de Eilandbewoners, vasthoudend aan de traditionele waarden en het medisch orthodoxe van die tijd. Geëxtrapoleerd naar de medische ontwikkeling in de periode 14 - 18 moeten we grif toegeven dat in GB, in tegenstelling tot in Duitsland, de professionele medische psychiatrische hulp zo weinig ontwikkeld was.

In het begin van de Eerste Wereldoorlog geloofden alle betrokken naties dat hun strijd over zou zijn in enkele maanden. Zij zouden op korte termijn een totale overwinning behalen. Niets is minder waar gebleken en dit werd dan ook vrij vlug door de generaals beseft. Lord Kitchener verwachtte een oorlog van vermoedelijk drie jaar en een verlies van meer dan twee miljoen soldaten. Nochtans boden zich honderdduizenden vrijwillige recruten aan voor de oorlog op het vasteland. Patriottisme en romantisch gevoel vierden hoogtij. Er werd met getallen gegoocheld. Haig vroeg aan het oorlogsministerie lichtingen van honderdduizenden om als kanonnenvlees de linies ingeworpen te worden. De Eerste slag om Ieper begon op 10 oktober 1914. In enkele maanden had een divisie gemiddeld 45 % officieren en 37 % soldaten verloren

De Tweede slag om Ieper was uitzonderlijk zwaar. De gasaanvallen, de gruwel van de bombardementen in de loopgraaf, de bajonetaanvallen in Niemandsland onder een regen van mitrailleurgeschut, het aanzicht van de dood steeds voor ogen, de vreselijke gewonden en verliezen onder de makkers. Soldaten waren doodsbang.

De eerste Britse oorlogsneurotici keerden terug naar Engeland in september ’14 reeds. Niemand bekommerde zich om die ‘gekken’. Er werden geen speciale regelingen getroffen voor onthaal en verzorging. Zij belandden in gewone ziekenhuizen. Nog altijd werd geloofd dat hun hersenen beschadigd waren door de luchtverplaatsing van de granaat (shell-blast) en nog niet werd gerealiseerd dat oorlogsneurose een psychologische stoornis was.

Nochtans beschreef dr. Myers toen voor het eerst, in begin ’15, deze toestand met de benaming ‘shell-shock’, zich baserend op zijn onderzoeken en bevindingen vanuit het Militair Hospitaal van Boulogne.

Met ‘shell-shock’ worden al de psychologische en psychiatrische gevolgen en betekenissen van ervaringen en gebeurtenissen bedoeld, die iemand onbekwaam maken zijn militaire verplichtingen verder nog na te komen. Een verhevigde emotie of instabiliteit, méér betekenend dan louter hyperventilatoire (=ziektebeeld te vergelijken met lichte hysterische toestand) oorlogsstress met objectieve symptomen gaande van gevoelsstoornissen ( doofheid, blindheid, stom geslagen zijn ) tot bewegingsstoornissen zoals trillingen, schuddende bewegingen en bekrampte spierhoudingen. Subjectief meer gevoelsgeladen klachten zoals slapeloosheid, geheugenverlies, nachtmerries, angsttoestanden, emotionele labiliteit, verminderde zelfcontrole, wantrouwen, psychosomatische pijnen tot ergere symptomen als verlammingen , bewustzijnsverlies, hallucinaties (=waarneming van in werkelijkheid niet voorhanden verschijnselen) en stuipaanvallen.

Deze klachten konden verschillen van de ene persoon tot de andere, afhankelijk van de aard en de duur van het impact (=inslag), het karakter en het temperament van de soldaat, zijn voorafgaande persoonlijke trauma’s. De symptomen duren korter of langer naargelang de aandacht die eraan besteed wordt en de plaats waar de soldaat naartoe gestuurd wordt voor behandeling. Dit kan aanzien worden als een pleidooi voor de bewering dat het van uiterst belang is de symptomen vlug te diagnosticeren en vlug te behandelen in specifieke instellingen, waar aandacht, gehoor en begrip worden geschonken aan die noodlijdenden (Special hospitals for nerve-cases).

In de meest algemene militaire hospitalen was er geen tijd, geen specifieke kennis van de klachten, geen gespecialiseerd medisch personeel en er heerste ook een militaire fronttucht tegenover zij die ‘geen wonden vertonen’ en eerder als simulanten en lastige klanten beschouwd werden.

De weg naar het specifiek hospitaal was soms ellenlang. Wij vinden eveneens dezelfde structuur van medische evacuatie terug als bij de fysisch gewonden zonder onderscheid. De soldaat met zenuwproblemen kwam ook eerst terecht in de ‘Regimental Aid Post’, werd dan doorgestuurd naar het ‘Casualty Clearing Station’ om tenslotte - als hij niet naar het front werd teruggestuurd, met grote kans op spoedig herval - na classificatie en eerste speciale aandacht doorgestuurd te worden naar het ‘Base Hospital’.

Pas vanaf maart 1915 werden er in de veldhospitalen speciale afdelingen, ’zalen’, ingericht voor de oorlogsgetraumatiseerden. Aanvankelijk werden deze shell-shock-patienten op dezelfde manier behandeld als gevangenen en misdadigers, waartegen protest kwam. Deze mannen waren bang naar Engeland gestuurd te worden om in het ‘gesticht’ (lunatic asylum) terecht te komen, want langer dan zes maanden behandeling betekende internering. ‘Once a lunatic (=krankzinnige), always a lunatic’, klonk een statement uit Shell-Shock van 1917 : Als de arts jou of als je jezelf niet kon genezen, was opname in het gesticht dan de laatste oplossing. Velen verborgen hun kwaal voor vrienden en familieleden, doch slaagden er niet in normaal te worden. ‘Gekken’ werden dan ook zeer langdurig behandeld (geïnterneerd). De instellingen hadden een groot stempeleffect (stigma). De artsen van hun kant worden veel tekortkomingen verweten. De opleiding psychiatrie aan de universiteiten is ondermaats. In het kader van de cursus is enkel een geleid bezoek aan een psychiatrische instelling voorzien. Er zijn te weinig demo’s, weinig lezingen en weinig training in de psychiatrie. De dokters weten zo weinig over psychosomatiek (=invloed van geest op lichamelijke klachten). De weinige dokters die zich specialiseren, doen dit louter uit interesse en vanuit het besef dat iedere patiënt specifieke persoonlijke behandeling nodig heeft.

In ‘The Lancet’ (=prestigieus medisch vakblad) van 1 mei 1915 verscheen in een hoofdartikel : ‘ De problemen, die te maken hebben met gevallen van mentale en nerveuze stoornissen bij soldaten in actieve dienst is hedentendage een ernstig en moeilijk probleem geworden met aanzienlijk praktisch medisch belang.

Pas vanaf 1916 werd voorbeeldig werk gemaakt van de behandeling van shell-shock. Wij nemen de richtlijnen voor behandeling van warneurosis-patiënten rechtstreeks over uit ‘Shell-shock 1917’. De algemene lichamelijke verpleegkundige verzorgingsprincipes mogen natuurlijk niet ontberen.

Het verdient aanbeveling de betrokkene niet nodeloos opnieuw te herinneren aan zijn pijnlijke ervaringen.

De medische officier, in casu de dokter, moet de patiënt benaderen met vastberadenheid, sympatieke steun en vertrouwen. Het is best om de militaire discipline en autoriteit van zich af te zetten om de persoon te benaderen. Strikte observatie, inzicht in de toestand en pogingen tot het begrijpen van de voorgeschiedenis zijn noodzakelijk. Twijfelen aan de oprechtheid en geruststellen met een schouderklopje, dat het allemaal wel in orde komt, is te mijden mits de nodige attentie. Veel dokters veronderstellen dat hysterie gelijk staat met simulatie. Dit is niet altijd zo. Eens de geschokte soldaat wantrouwt, ontstaat soms een averechtse houding. Er moet gepoogd worden diep in te gaan op de oorzaak van de stoornis, misverstanden te bespreken en angsten proberen te verlossen.

- Een weldoordachte behandeling start dus in feite bij een correcte diagnose. Hierbij verstaan we het ontdekken van de omstandigheden die geleid hebben tot de huidige aandoening. Dit vraagt inzicht in de persoonlijkheid en in de angstbeleving van de patiënt. Geprobeerd wordt de oorzaak te verwijderen of te negativeren, afhankelijk van de intelligentie van de betrokkene en hem terug op te voeden tot zelfkennis en zelfcontrole.

-Sommigen menen dat afzondering kan baten. Dit mag echter niet veralgemeend worden. In bepaalde ernstige gevallen kan dit nuttig zijn, voor specifieke benadering en observatie. Sommigen verdragen geen afzondering, het bevrijdt niet van waangedachten (waan=inbeelding), het doet eerder berusten in een blijvende gestoorde situatie, die irriteert in plaats van rust te geven.

-Suggestie en hypnose zijn bedoeld als steun en inspiratie tot de overtuiging tot genezing. Redelijke en tactvolle benadering kunnen wederzijds respect en vertrouwen schenken, met een positief effect als gevolg. Zij zijn een aanvulling in de behandeling van mensen met een gebrek of verlies aan zelfvertrouwen. Geen nut van hypnose wordt gezien bij patiënten met dubbele persoonlijkheden of waarbij voor de oorlog al veelvuldige psychische problematiek aanwezig was.

- De therapeutische waarde van arbeid kan tot nut zijn als ontspanning om zich los te kunnen maken van subjectieve (=tot zichzelf beschouwend) moeilijkheden, de problemen te kunnen herbeoordelen en ze in een nieuw daglicht te kunnen plaatsen. Lichamelijke moeheid overwint nochtans geen slapeloosheid door mentale conflicten.

In 1915 werden private hospitalen voor officieren geopend in de regio London alsook in Schotland, waarvan het beroemdste Craiglockhart heet, bekend voor literair ingewijden (Siegfried Sassoon, Wilfred Owen, dr. Rivers).

Het Brits leger aanvaardde echter de actualiteit van Shell-shock niet. Het gold zeker niet als geldige verdediging van lafheid en desertie voor de krijgsraad. Verlies van geheugen in het kader van shell-shock gold ook zeker niet als excuus. Vanuit militair standpunt was een deserteur ofwel een ‘insane’, een krankzinnige bestemd voor het ‘mad house’, ofwel een ‘shot at down’-geval. Medische verslagen bij terdoodveroordeling door de krijgsraad waren zeldzaam en als ze voorhanden waren, werd geen rekening mee gehouden met de verzachtende omstandigheden van symptomen door Shell-shock.

In het begin van de Eerste Wereldoorlog waren zelfs de militaire geneesheren vol onbegrip voor het fenomeen, mogelijks uit (bange?) disciplinaire redenen omdat er zoveel mogelijk soldaten na herstel naar het front moesten terugkeren, want de verliezen waren groot en de nood aan voetvolk was immens. Driehonderd man per dag gemiddeld geraakten uit de strijd over de ganse oorlog gerekend. De Slag van Loos alleen al telde 95.000 Britse verliezen, van eind september tot begin november ’15.

De militaire geneesheren realiseerden zich niet dat shell-shock een psychologische stoornis was. Naderhand ontstond wel kennis over de pathologie en begon men in de triage de gewonden een kenmerk te geven: W(ounded), M(ental) of NYDN (not yet diagnosed nervous).

In september 1915 vaardigde het ‘Huis van Afgevaardigden’ in London een decreet uit dat militaire zenuwgeraakten in de neurologische afdelingen van de (23) Britse militaire ziekenhuizen moesten verzorgd worden en dat er ‘forward sorting centres’ moesten opgericht worden in de structuur van ieder Leger.

In januari 1916 werd een medisch congres in London volledig gewijd aan de problematiek van shell-shock. Boeken verschenen over ‘De effecten van zware explosies op het centraal-nerveus systeem’. Het ‘War Office’ besliste shell-shock te erkennen als erkend oorlogsletsel in het kader van toekenning van invaliditeit(srente).

Doch er was nog steeds achterdocht of de getroffene werkelijk leed aan oorlogsneurosis of aan veinzerij. Hoewel op het Eiland progressief en aanvaardend een idee gevormd werd over het probleem, was aan het front de gestrengheid tegenover neurotische oorlogsslachtoffers nog niet gewijzigd. Zo werden, door onwil of onkunde van de geneesheren en door de gestrengheid van de krijgsraad, een groot aantal moreel onschuldige soldaten ter dood veroordeeld en ‘shot at dawn’. Zelfs, na intense kennisgevingen over het probleem en spijts toch soms positieve medische beoordelingen, werden veel veroordeelden onverbiddelijk gefusilleerd (meer dan driehonderd in totaal). Haig had decided. Daarentegen in de ‘American Expeditionary Force’ werd niemand voor zogenaamde shell-shock-desertie veroordeeld.

Eind 1917 werd in Engeland een wet gestemd, na fel aandringen van de socialistische parlementsleden, dat de uitvoering van de ‘dood met de kogel’ alleen mocht gebeuren na de meest grondige uitpluizing. Het Britse publiek had immers lont geroken van oneerlijke terechtstellingen.

De laatste Britse soldaat werd wegens desertie in de Eerste Wereldoorlog gefusilleerd op 7 november 1918, vier dagen voor de wapenstilstand. In zijn verdediging had hij gezegd dat zijn beide ouders gestorven waren in een krankzinnigeninrichting en dat hijzelf ook al met zenuwen had geworsteld. Het Hof had de zittingen niet verdaagd voor een verder onderzoek, noch het nodig geacht verder medisch advies in te winnen vooraleer hem te veroordelen tot de dood met de kogel.

In 1920 werd het ‘War Office Committee of Enquiry (onderzoek naar) into Shell-Shock’ opgericht met de bedoeling de verschillende soorten hysterie of traumatische neurosen (met de reeds ingeburgerde term Shell-Shock genoemd), alsook kennis te verzamelen vanuit de medische hoek en dito autoriteiten gedurende de oorlog en eveneens te adviseren of er voor dit probleem door militaire training en opvoeding een wetenschappelijke methode kon gevonden worden om het te vermijden. Historici werden geraadpleegd, getuigen werden verhoord, statistieken werden geraadpleegd, doch puntje bij paaltje, die waren er praktisch niet over te vinden.

Geconcludeerd werd dat de oorzaak van shell-shock niet kwam door de shell itself, maar dat war neurosis ontstond door stress van verscheidene aard, inclusief slapeloosheid, angst, vermoeidheid, delicate verantwoordelijkheid tegenover makkers, slagveldervaringen zoals het aanzien van gedode vrienden en alle zware lichamelijke verwondingen rond zich.

Bronnen:

 

SHELL SHOCK and its lessons by G. Elliot Smith and T.H. Pear The University Press, Manchester 1917
SHELL-SHOCK A History of the Changing Attitudes to War Neurosis by Anthony Babington Leo Cooper London 1997