DE ORGANISATIE VAN HET BRITSE LEGER
DEEL I
Wim. DEGRANDE
Enige tijd terug verscheen in "Stand To", het magazine van de Western Front Association Groot-Brittannië, een artikel ("The Organisation of the British Army in the Great War, door Bob Butcher en Terry Cave) over de structuur van het Britse leger. De tekst dekt niet alles maar vormt een bruikbare samenvatting voor wie zich een beeld wil vormen van de opbouw van het Britse leger tijdens Wereldoorlog I.
Het geheel werd vrij vertaald en licht bijgewerkt.
1. HET "WAR OFFICE" EN DE BEVELVOERING
Het politieke hoofd van het Britse leger
was de "Secretary of State of War (SoS)". Gedurende de eerste twintig maanden
van de oorlog werd hiervan afgeweken in die zin dat deze post bemand werd door een
militair - Earl Kitchener - maar grondwettelijk gezien voerde hij deze taak uit in
burgerlijke hoedanigheid.
Het hoofd van het leger en de voornaamste militaire adviseur van het Kabinet werd gevormd
door de "Chief of the Imperial General Staff (CIGS)". Van oktober 1914 tot
december 1915 werd deze functie uitgeoefend door een "lieutenant-general" maar
de andere CIGS waren "full generals" ( "general officers" in dalende
lijn van graad waren: field-marshal, general, lieutenant general, major general en
brigadier general).
De SoS en de CIGS werden nog door andere personen uit de militaire, politieke en
burgelijke wereld bijgestaan en vormden samen het "Army Council", de
overheersende structuur van het leger.
De Staf viel grotendeels uiteen in drie groepen: "G" of General (operaties,
inlichtingen, planning en training) die direkt onder de CIGS stonden, "A"
(personeel) onder bevel van de Adjutant General voor de strijdkrachten en "Q"
(bevoorrading en logistiek) onder bevel van de Quartermaster General voor de
strijdkrachten.
Daarbij kwam nog een "Master General of the Ordnance" (voor militaire voorraden
en materieel) tot aan de vorming van het "Ministry of Munitions" en een
"Director General of Military Aeronautics" tot aan de vorming van de Royal Air
Force.
Vanaf februari 1917 was er tevens nog een "Director General of Movements and
Railways".
Zowel vredestijd als in oorlogstijd werd het leger gevoerd en bevolen door de zeven
bevelinstanties en het London District waarin het land was ingedeeld voor militaire
doeleinden.
Deze bevelinstanties, Aldershot - Scottish - Northern - Eastern - Southern -Western en
Irish, stonden onder bevel van een "General Officer Commanding" (GOC) meestal
een general of lieutenant general.
De GOC voor het London District was meestal een major general en altijd een vroegere
officier van de Guards. Deze hoedanigheid verschilde nogal in Indië waar alle Britse en
Indische troepen onder bevel stonden van de "Commander in Chief India", een
positie tijdelijk uitgevoerd door Earl Kitchener.
"Commanders in Chief" (C in Cs) werden aangeduid voor elk overzees
operatie-gebied: Frankrijk, Egypte, Gallipoli, Salonika, Italië, Oost-Afrika en
Mesopotamië.
Het hoofdkwartier van de C in Cs stonden gekend onder "General Headquarters (GHQ),
waarvan de graad van de bevelvoerder afhing van het operatie-gebied en de oorlogssituatie.
Meestal waren dit echter "field marshals" of "generals". Generaal Sir
Douglas Haig bijvoorbeeld werd gepromoveerd tot field marshal na één jaar het commando
van de BEF overgenomen te hebben van Field Marshal Sir John French.
Begin 1916 werd een "C in C Home Forces" benoemd met de taak het grondgebied van
Groot-Brittannië (ook tegen luchtaanvallen) te verdedigen, voorheen de taak van de
"Central Force" die toen werd opgedoekt.
2. LEGER EN KORPS
Toen de BEF in omvang toenam zag men zich
genoodzaakt om het leger in te delen in "armies" (legers). Aldus werd het First
Army en Second Army gevormd in december 1914, het Third Army in juli 1915, het Fourth Army
in februari 1916 en het Fifth Army (oorspronkelijk reserve) in mei 1916. De bevelvoerders
hiervan waren "generals".
Een "Army" was hoofdzakelijk een soort centrum voor het bevelen en leiden van
zijn troepen. Zijn taken werden veranderd al naargelang de oorlogssituatie. Algemeen
bleven deze legers op dezelfde plaats. Een leger had tenminste het bevel over twee korpsen
("Corps"), maar meestal drie of meer. Oorspronkelijk waren er drie, later
teruggebracht tot twee, legers in Groot-Brittannië die deel uitmaakten van de
"Central Force".
Een leger werd voluit geschreven: bvb. "Second Army".
Een korps, bevolen door een
"lieutenant general" had een gelijkaardige functie: een vorm van hoofdkwartier,
verantwoordelijk voor een deel van de linie en het bevel voerend over twee of meer
divisies (die onafhankelijk waren van een korps). Een korps behoorde in principe ook niet
toe aan één bepaald leger.
Een korps werd aangeduid met romeinse cijfers: bvb. "VI Corps".
Legers en korpsen hadden het bevel over een aantal "leger" of " korps" troepen, zijnde ondersteuningstroepen zoals bvb. artillerie die wanneer nodig aan een bepaald korps of divisie werden toegewezen.
3. DIVISIES
Een infanterie-divisie werd bevolen door een "major general" en bestond vanaf 1915 uit een HQ, divisie-troepen en drie infanterie-brigades.
Divisie-troepen bestonden uit drie 18 pdr en één 4.5 inch howitser veldbrigades van de Royal Field Artillery (later gereduceerd tot twee gemengde brigades), drie veld-kompagnies en een sein-kompagnie van de Royal Engineers, een "divisie-trein" van vier paardentransport-kompagnies van het Army Service Corps, drie veld-ambulances van het Royal Army Medical Corps en tenslotte een mobiele sectie van het Army Veterinary Corps.
Een infanterie-brigade bestond uit een HQ en vier (later drie) infanterie-bataljons en werd bevolen door een "brigadier general". Een bataljon werd bevolen door een "lieutenant colonel" en bestond oorspronkelijk uit dertig officieren en 977 "other ranks" (Ors of manschappen). Een bataljon was opgedeeld in vier kompagnies (in normale omstandigheden bevolen door een captain) die op hun beurt bestonden uit vier peletons van elk vier secties.
Een cavalerie-divisie, eveneens bevolen door een "major general", bestond uit een HQ, divisie-troepen en vier (later drie) cavalerie-brigades.
Divisie-troepen bestonden uit: twee Royal Horse Artillery brigades, één (een andere bron vermeldt vier) veld- en één sein squadron van de Royal Engineers, vier (later drie) veld-ambulances, vier (later drie) mobiele veterinaire secties en één paardentransport samen met drie gemotoriseerde transport-kompagnies.
Een cavalerie-brigade bestond uit een HQ en drie cavalerie-regimenten.
Een cavalerie-regiment bestond uit een HQ en drie squadrons van elk vier "troops". Het werd bevolen door een "lieutenant colonel" en bestond in totaal uit 694 manschappen.
Een divisie werd met arabische cijfers aangegeven: bvb. 29° divisie.
4. BASISSEN EN BEVOORRADING
Per operatiezone werden in een haven één
of meer basissen uitgebouwd: voor Frankrijk waren dat Boulogne, Calais, Dieppe, Havre en
Rouen.
Hier kwamen allerlei manschappen en materieel toe van het thuisfront en werden de
veldlegers bevoorraad. In en rond deze basissen werden depots uitgebouwd.
Een afzonderlijke "line of communication (LofC)" of bevoorradingsroute vertrok
vanuit de basis naar elk leger.
In Frankrijk werden daarvoor burgerspoorlijnen gebruikt samen met andere
transportmiddelen. Langsheen deze lijn werden eveneens depots (magazijnen) uitgebouwd.
Daarom wordt de zone vanaf de basis tot aan de meest achteraangelegen grens van een leger
een "line of communication" genoemd. De verantwoordelijke hiervoor was de
"Inspector General of Communications (GOC LofC) die op zijn beurt onder bevel stond
van de "C in C".
Iedere LofC werd onderverdeeld in basissen, secties en posten. "Railway Transport
Officers (RTOs) werden op drukke punten geplaatst om in samenspraak met het
burgerspoorweg-personeel het geheel in goede banen te leiden.
Bij de landing van de BEF in Frankrijk werden vijf infanterie-bataljons toegewezen aan de
LofC voor lokale verdediging en voor het leveren van werkpersoneel. Naarmate de oorlog
vorderde werd deze taak door "Garrison Guard companies" overgenomen.
5. REGIMENTEN
De term "regiment" kan bij de
Britten voor enige verwarring zorgen omdat de term gebruikt wordt voor drie doeleinden.
Een voorbeeld van dubbel gebruik: met de benaming "Royal Regiment of Artillery"
wordt de gehele artillerie-tak bedoeld. Bij de cavelerie daarentegen wordt daarmee een op
zichzelf bestaande eenheid van de cavalerie bedoeld.
Het "3rd (King's Own) Hussars" was niet de derde eenheid van het Hussar Regiment
(dat op zichzelf niet bestond) maar het gewoon het 3° Regiment Husaren.
Bij de infanterie had de term
"Regiment" een andere betekenis dan bij de artillerie: het verwees niet naar een
complete tak zoals bij de artillerie, noch naar een operationele eenheid zoals bij de
cavalerie.
De vele linie-regimenten (in tegenstelling tot de infanterie van de Guards regimenten)
hadden elk een aantal bataljons. Elk regiment had tenminste twee "Regular"
bataljons (sommige vier), tenminste één "Reserve" bataljon en de meeste
tenminste één "Territorial" bataljon (zie lager).
De "Regular" bataljons dienden niet samen in dezelfde brigade of (meestal) divisie.
Dit in tegenstelling tot de "Territorials" omdat de TF divisies op regionale basis gerecruteerd werden: dit gold ook voor de "New Army" divisies (zie lager).
Volledigheidshalve vermelden we dat er zeven "Territorial" regimenten waren die geen "Regular" bataljons hadden en vier onafhankelijke "cyclist" bataljons.
Deze opbouw verschilde nogal bij de
"Guards": in vredestijd hadden de vier regimenten negen "Regular"
bataljons (geen TF of Reserve) allen in en rond Londen gestationeerd.
In principe dienden Guards bataljons enkel in Guards brigade (met enkele kleine
uitzonderingen voordat de Guards divisie in 1915 gevormd werd).
Een Brits regiment bestond dus niet uit een operationele of taktische eenheid op zich.
6. "TERRITORIALS" EN DE "RESERVE"
De "Territorial Force" was een strijdkracht die in vredestijd bestond uit veertien infanterie divisies en veertien Yeomanry (cavalerie) brigades. Een aantal TF bataljons en Yeomanry regimenten vervoegden de BEF bij het uitbreken van de oorlog.
Later werden komplete infanterie divisies
ingezet.
Het aantal infanterie divisies werd verhoogd door "duplikaten" te vormen beter
bekend als "2nd" en "3rd" Lines.
Alle oorspronkelijke divisies dienden overzees alsook de meeste "2nd" Lines.
Het "3rd" diende als reserve voor "1st" en "2nd" Line.
De Yeomanry breidde gelijkaardig uit maar hun "2nd" Line stond meestal in voor de verdediging van eigen grondgebied en werd uiteindelijk omgevormd tot "Cyclists".
Het "3rd" Line werd opgenomen door de Cavalerie reserve regimenten.
De reserve voor het reguliere leger bestond algemeen uit de "Regular Army Reserve" en de "Special Reserve" (tijdelijke manschappen die ,in tegenstelling tot de Territorials, een volledig basistraining hadden gekregen en eventueel overzees konden ingezet worden). Enkel de Special Reserve was ingedeeld in bataljons.
7. DE UITBREIDING IN DE OORLOGSFAZE
Bij het uitbreken van de oorlog waren ongeveer de helft van de "Regular" bataljons in Groot-Brittannië en daarvan waren de meeste toegewezen aan de zes infanterie-divisies (1st tot 6th) die de oorspronkelijke BEF vormden. Om tot voldoende oorlogssterkte te komen moesten deze nog met talrijke reservisten aangevuld worden.
Daarna werd het leger in grote mate uitgebreid:
1. Men ging over tot de vorming van vijf nieuwe divisies (7th, 8th, 27th, 28th en 29th), hoofdzakelijk vanuit "Regular" bataljons die vanuit de overzeese gebieden overgebracht werden en in sommige gevallen vanuit TF divisies. Daarbij kwam nog de vorming van de Guards divisie (vanuit de negen "Regular" bataljons en vanuit de drie nieuw gevormde bataljons plus het 1st bataljon van de nieuw gevormde Welsh Guards).
2. De vorming van vijf (in feite in totaal zes) "New Armies". Elk leger daarvan bestond uit zes divisies, gevormd vanuit de talrijke vrijwilligers (de zogenaamde "First 100000", elk leger werd benoemd: K1, K2, K3 enz... naar (K)itchener):
| NEW ARMY | DIVISION | 1° OPERATIEGEBIED |
| 1st (K1) | 9th (Scottish) | Westelijk Front |
| 10th (Irish) | Gallipoli | |
| 11th (Northern) | Gallipoli | |
| 12th (Eastern) | Westelijk Front | |
| 13th (Western) | Middellandse Zee | |
| 14th (Light) | Westelijk Front | |
| 2nd (K2) | 15th (Scottish) | Westelijk Front |
| 16th (Irish) | Westelijk Front | |
| 17th (Northern) | Westelijk Front | |
| 18th (Eastern) | Westelijk Front | |
| 19th (Western) | Westelijk Front | |
| 20th (Light) | Westelijk Front | |
| 3rd (K3) | 21st | Westelijk Front |
| 22nd | Westelijk Front | |
| 23rd | Westelijk Front | |
| 24th | Westelijk Front | |
| 25th | Westelijk Front | |
| 26th | Westelijk Front | |
| 4th (K4) | 30th | Westelijk Front |
| 31th | Westelijk Front | |
| 32nd | Westelijk Front | |
| 33rd | Westelijk Front | |
| 34th | Westelijk Front | |
| 35th | Westelijk Front | |
| 5th (K5) | 36th (Ulster) | Westelijk Front |
| 37th | Westelijk Front | |
| 38th (Welsh) | Westelijk Front | |
| 39th | Westelijk Front | |
| 40th | Westelijk Front | |
| 41th | Westelijk Front |
Het vierde leger werd in april 1915 afgebouwd om versterkingen te leveren voor de andere (het oorspronkelijke vijfde werd het vierde en een nieuw vijfde leger werd opgericht) zodat er dertig en niet zesendertig nieuwe divisies gevormd werden.
Deze "New Armies" waren alleen "legers" in naam en mogen niet vergeleken worden met de eerste vijf legers van de BEF.
Samengevat verliep de uitbreiding als volgt:
In augustus 1914 bestond de BEF uit de 1st Cavalry Division en vijf infanterie- divisies. Deze werden snel uitgebreid met de 6° Infantry Division en in oktober met de 2° en 3° Cavalry Division, 7° en 8° Regular Infantry Division en een uitgebreid Indian Army van 2 infanterie-divisies (Meerut en Lahore) en 2 cavalerie-divisies. In totaal 10 infanterie-divisies tegen Kerstmis 1914.
In 1915 arriveerden de 27°, 28° en Guards Division en de eerste "non-regular" divisies van de "New Armies" en de Territorials. Ondertussen kwam ook de 1° Canadian Division in aktie. Aldus had men tegen Kerstmis 1915 tenminste 26 infanterie-divisies in aktie.
Gedurende de winter van 1915-1916 kwamen steeds meer divisies naar Frankrijk en Vlaanderen.
Naar het einde toe had het "Britse" leger de beschikking over volgende divisies:
14 Regular (1st tot 8th, 27th, 28th, 29th en 1st, 2nd en 3rd Cavalry Divisions), 28 Territorial (1st Line: 42nd tot 56th / 2nd Line: 57th tot 69th), 30 New Army (9th tot 26th en 30th tot 41th plus de 63rd Naval Division) en tenslotte 5 Home Service Divisions (71st tot 73rd en 74th en 75th).
3. Het verdrievoudigen van de TF door de vorming van 2nd en 3rd Line regimenten. Dit verhoogde het aantal TF divisies van veertien naar achtentwintig (42nd tot 69th). Het 3rd werd gebruikt als reserve. Het 63rd werd ontbonden maar dit nummer werd opnieuw toegewezen aan de "Royal Naval Division" wanneer het War Office de zaken van de Admiraliteit overnam.
De Yeomanry werd bij dit verdrievoudigen betrokken, de "bereden" troepen dienden echter alleen in het Midden-Oosten en op het thuisfront (de "Home Defence"). Zie ook punt 5 lager.
4. De formatie van drie "Home Service" divisies (71th tot 73rd).
5. De ombouw van de niet-bereden Yeomanry tot de 74th divisie en de vorming van de 75th divisie in Egypte vanuit verscheidene Britse en Indische troepen.
Naar de mening van Kitchener kon de cavalerie weinig uitrichten aan het front en verbood daarom de uitbreiding ervan. Alhoewel de cavalerie aan het westelijk front soms tot ad hoc gemengde infanterie bataljons of brigades omgevormd werd.
In aansluiting op deze enorme uitbreiding dienden ook nieuwe korpsen gevormd te worden. Met uitzondering van het Tank Corps werden de meeste ontbonden na de oorlog.
In toevoeging van de "Regular" bataljons onderscheidde men volgende types bataljons:
* "Reserve": vroegere Militia bataljons die in vredestijd bestonden uit "Special Reservists" (één voor iedere twee Regular bataljons). Elk Guards Regiment vormde een (Reserve) bataljon gedurende de oorlog.
* "Extra Reserve": in vredestijd extra reserve voor de gewone "Reserve". Niet ieder regiment had deze.
De rol van alle reserve troepen was als aanvulling te dienen voor alle operationele bataljons maar enkele Extra Reserve bataljons waren in 1916 als één geheel operationeel en dienden aan het westelijk front.
* "Territorial": genoemd naar de reserve bataljons met de toevoeging van "TF". Wanneer een 2nd Line gevormd werd kreeg het originele bataljon de prefix "1/", het 2nd Line "2/" enz.. Zo verandere bvb. het "4th Bn The Buffs TF" in "1/4th Bn The Buffs TF".
Merk op:
1. "1" en niet "1st", maar wanneer bataljons zich vermengden werd "rd", "th" enz in het eerste gedeelte behouden bvb. 5th/6th Bn Royal Scots.
2. 3rd Line TF bataljons werden later "Reserve" bataljons en in het regiment afzonderlijk genummerd. Zo veranderde bvb. het "3/18th London" in "18th Reserve Bn The London Regiment".
* "Service": gaf aan dat dit bataljon enkel voor oorlogsdoeleinden was gevormd, meestal de "New Armies" bataljons. Werden in het regiment genummerd naar de TF bataljons.
* "Service" met ondertitel": dit waren de "Pals" of lokaal gevormde bataljons waarvan de originele behouden werd na de officiële benaming door het War Office.
Bvb.: het 1st Tyneside Scottish van Newcastle, gevormd in oktober 1914, kreeg de benaming "20th (Service) Bn The Northumberland Fusiliers (1st Tyneside Scottish).
* "2nd Reserve": in april 1915 werd het vierde "New Army" ontbonden en werden de infanterie batajons reserve bataljons, maar zij behielden hun oorspronkelijk nummer tot aan de vorming van de "Training Reserve". "2nd" werd alleen gebruikt om hen te onderscheiden van de Reserve en Extra Reserve in vredestijd, maar werd in praktijk zelden gebruikt.
* "Local Reserve": in 1915 werden de depot compagnies van de "Pals" bataljons samen omgevormd tot "Local Reserve" bataljons op gelijkaardige basis van de 2nd Reserve eenheden.
* "Pioneers": een aantal bataljons waarvan tenminste 50 % van de onderofficieren en manschappen in het burgerleven actief waren in de mijn- of aanverwante sector werden omgevorm tot Pioneers maar bleven in het regiment. Zij kregen speciaal technisch materieel en kregen extra onderricht in versterken, wegenaanleg, bruggenbouw, afbraakwerken enz... Niet alle regimenten hadden een dergelijk bataljon.
* "Bantam": deze bestonden uit manschappen van tenminste vijf voet lang maar die onder de normale lengte vielen van vijf voet drie inch. Een volledige en een gedeeltelijke divisie was opgebouwd uit Bantam bataljons.
Het idee werd echter na verloop van tijd verworpen omdat men niet genoeg recruten meer had om aan de eisen te voldoen. Niet ieder regiment had een Bantam bataljon.
* "Cyclist": verscheidenen regimenten hadden een "TF cyclist Battalion" en er waren vier onafhankelijke cyclist bataljons. Latere 2nd Line Yeomanry werden omgevormd tot cyclist maar bleven als dusdanig in hun regiment. Deze "Home Service" troepen waren dus geen troepen van het "Army Cyclist Corps" die divisie cyclist compagnies (later corps cyclist bataljons) leverden in de BEF.
* "Labour": sommige regimenten leverden één of meer Labour bataljons van manschappen uit de reserve bataljons en andere voor ongeschoolde arbeid in de achterste linies. In 1917 werden deze opgenomen in het "Labour Corps". Een beperkt aantal van dok- en wegenwerkers bataljons werden gevormd in Britse havens.
* "Garrison": sommige regimenten vormden deze bataljons uit manschappen die geschikt waren voor overzeese dienst maar ongeschikt waren voor de frontlinie. Deze bataljons werden afzonderlijk genummerd bvb. 1st Garrison Bn The South Staffordshire Regiment. De meeste dienden effectief overzees maar een aantal Garrison (Reserve) troepen bleven op het thuisfront (zie lager).
* "Home Garrison": deze bestonden uit manschappen die op de "medische ladder" lager gerangschikt stonden en die op het thuisfront statische defensieve taken verrichtten. Niet ieder regiment had deze en deze troepen werden later opgenomen in het Royal Defence Corps.
* "Garrison Guard": deze manschappen waren te vinden aan het front en geleidelijk de taken overgenomen van de LofC Defence infanterie. Na het Duitse lente-offensief werden sommige divisies volledig heropgebouwd met dergelijke bataljons die dan al (Garrison) bataljons geworden waren in het regiment: bvb. 11th Garrison Guard Bn werd het 13th (Garrison) Bn The Royal Innniskilling Fusiliers en vervoegde de 40° divisie. Later werd "Garrison" achterwege gelaten.
* "Home Service": sommige regimenten richtten dergelijke bataljons op om te dienen in de drie Home Service divisies.
* "Yeomanry": sommige niet-bereden Yeomanry regimenten in Egypte werden opgenomen in de infanterie en kregen aangepaste nummers in hun county regiment.
Zo werd de "The Norfolk Yeomanry" het "12th (Norfolk Yeomanry) Bn The Norfolk Regiment.
* "Graduated": in 1917 ontvingen een aantal regimenten elk twee bataljons van de Training Reserve maar werden dan 51st en 52nd (Graduated) Bn van die regimenten.
* "Young Soldier": op hetzelfde tijdstip als de "Graduated" ontvingen zij tevens van de Training Reserve een bataljon dat later omgevormd werd tot 53rd (Young Soldier) Bn van dergelijk regiment.
Alle bovenstaande bataljons behoorden tot hun respectievelijke regimenten, met uitzondering van enkele bataljons:
* "Entrenching": begin 1918 werd het aantal bataljons in een brigade gereduceerd van vier naar drie. Het surplus werd meestal omgevormd tot Entrenching bataljons, genummerd in volgorde en onafhankelijk van het regiment. Zij dienden als infanterie tijdens het Lente-offensief, werden daarna ontbonden en de resterende manschappen dienden als versterking voor gewone bataljons.
* "Provisional": deze bataljons werden bij het begin van de oorlog gevormd voor Home Defence en bestonden uit Territorials die niet geschikt waren voor overzeese dienst. Zij werden in volgorde genummerd onafhankelijk van het regiment maar in 1917 werden sommige Home Service bataljons van infanterie-regimenten: bvb. het 100th Provisional Bn werd het 29th (City of London) Bn The London Regiment.
8. "MACHINE GUNS"
In 1914 had ieder infanterie bataljon en
cavalerie regiment een sectie van twee "Machine Guns" hetzij Maxim of de lichter
verbeterde versie van de Vickers die de Maxim verving.
Begin 1915 werd het aantal verdubbeld en later in 1915 werden "brigade machine gun
companies" vanuit die MG secties gevormd.
Deze compagnies behoorden tot het nieuwe "Machine Gun Corps" (MGC) en werden
aangeduid met het nummer van hun brigade: bvb. de 3rd Brigade Machine Gun Company behoorde
tot de 3rd Brigade (1st Division). In 1917 werd nog een Machine Gun Company toegevoegd aan
iedere infanterie-divisie.
In 1918 werden de vier compagnies omgevormd tot een bataljon die het nummer kreeg van de respectievelijke divisie: bvb. in de 6th Division (16th, 17th en 71th Brigades) vormden de 16th, 17th, 71th en 192nd Company No. 6 Battalion MGC. Het Guards Division MG bataljon vormde echter het 4th Bn Guards Machine Gun Regiment. Het 59th Bn werd in 1918 ontbonden samen met de rest van de divisie maar werd niet heropgebouwd met de divisie later in 1918.
Daarom werd het No 25 Bn MGC toegevoegd aan de divisie en werd later vervangen door No 200 Bn.
In 1918 werden een aantal Yeomanry regimenten van het Midden-Oosten overgebracht naar het westelijk front en omgevormd tot bataljons van het MGC, genummerd van 100 tot 104. Zij werden "leger-troepen". Ongeveer in dezelfde periode werd het Guards Machine Gun Regiment (oorspronkelijk Machine Gun Guards) gevormd vanuit de drie Household Cavalry regimenten (1st, 2nd en 3rd Battalion samen met de brigade MG companies behorende tot de Guards die het 4th Battalion vormden; het 4th bleef bij de divisie, de andere bleven "leger-troepen").
Toen de machine gun secties van de bataljons onttrokken werden, startte men met de invoering van de Lewis gun. Het aantal werd regelmatig verhoogd en bij begin 1918 had men er zesendertig per bataljon.
9. VARIA
STAF
Op GHQ was de senior "G" officier
"Chief of the General Staff (CGS)" en aan het westelijk front was dit een
"lieutenant general".
Op lagere niveaus werd hij genoemd bij rang gevolgd door "General Staff":
* Army: Major-General General Staff (MG-GS)
* Corps: Brigadier-General General Staff (BG-GS)
* Division: General Staff Officer Grade 1 (GSO 1). Er waren drie graden GSO: 1 was normaal
een "lieutenant colonel", 2 een "major" en 3 een "captain".
* Brigade: brigade major
Op GHQ waren de senior "A" en "Q" officieren "Adjutant General" en "Quartermaster General" (niet te verwarren met de officieren met gelijkaardige titel bij het War Office).
* Army: hier waren de "A" en
"Q" één persoon nl. de "Deputy Adjutant and Quartermaster General (DA
& QMG) met de rang van "major general".
* Corps: ook hier slechts één persoon: "brigadier general"
* Division: Assistant Adjutant and Quartermaster General (AA & QMG) met de rang van
"lieutenant colonel".
* Brigade: "Staff Captain".
INDISCH LEGER
Het Britse leger gestationeerd in Indië mag men niet verwarren met het "Indian Amry". Het Indian Army behoorde toe aan Indië met Indische manschappen bevolen door Britse officieren.
"INFANTRY REGIMENTAL TITLES"
De titel van infanterie-regimenten kan soms
wat verwarring scheppen.
Ten eerste moet beklemtoond worden dat de titel "Guards", "Fusiliers",
"Light Infantry" of "Rifles" geen operationele betekenis op zich had.
Het had gewoon de rol van bataljon om het even tot welk regiment het behoorde.
Ten tweede: "Corps" in "King's Royal Rifle Corps" en "Brigade" in "Rifle Brigade" mag zijn uiteraard niet hetzelfde als de taktische formaties met dezelfde benaming.
Ten derde is de titel "Honourable Artillery Company (HAC)" een pure TF benaming en was het geen compagnie maar een regiment dat zowel infanterie als artillerie bevatte.
Ten vierde was het TF "London Regiment" een vreemde eend in de bijt in die zin dat het niet zozeer een regiment was maar een overkoepeling voor velerlei eenheden die zich als onafhankelijke regimenten beschouwden of verwant waren met Regular bataljons.
Tenslotte waren er een aantal regimenten die beter bekend waren onder andere namen dan hun officiële titel: zo zal men zelden "Royal Highlanders", "The Duke of Cambridge Own" of "Alexandra Princess of Wales Own (Yorkshire Regiment)" vinden, wel "The Black Watch", "The Middlesex Regiment" en "The Green Howards". Na de oorlog werden deze namen officieel en werd de oorspronkelijke titel tussen haakjes bijgevoegd.
OFFICIEREN BENEDEN "GENERAL" RANG
"General" officieren stonden
vermeld op de "General List" en niet op de regimentslijst.
Hetzelfde gold voor "Colonel" (de rang net onder brigadier general): zij dienden
meestal niet in hun regiment maar deden stafwerk of hadden een niet-operationele post.
"lieutenant colonels" en "majors" waren "officieren te velde". De rang onder "major" was "captain" gevolgd door "lieutenant" en "second lieutenant" beter bekend als "subalterns".
"COLONELS"
De bevelvoerend officier van een bataljon was een "lieutenant colonel" maar in praktijk liet men "lieutenant" achterwege en sprak men gewoon van "the colonel", niet te verwarren met "the colonel of the regiment": dit was een soort ere-functie, een soort "peetvader" van het regiment, meestal een oudere officier met een zekere invloed die voorheen in het regiment had gediend.
Dit was echter niet altijd het geval: bij de Royal Engineers was dit de "Colonel Commandant".
Elk regiment en corps had een "colonel" en sommige TF en New Army bataljon had eveneens nog een "honorary colonel".
Tenslotte hadden sommige regimenten nog een "Royal Colonel in Chief", eveneens een ere-functie. King George V was Colonel in Chief van Guards en verscheidene linie-regimenten.